De Taaie: de koetsier die heel Amsterdam kende

“Deruit!”

De drie heren kijken de koetsier ongelovig aan. Ze hebben zojuist een rit door Amsterdam gemaakt, maar weigeren de drie gulden te betalen die hij ervoor vraagt. “Deruit,” zegt hij nogmaals. Met tegenzin stappen ze uit. Pas wanneer de koets wegrijdt, komt een caféhouder haastig op hem af.

“Taaie, weet je wel wie je zojuist uit je rijtuig hebt gezet? Dat waren drie Indische prinsen.”

De koetsier haalt zijn schouders op. Betalen is betalen. Het verhaal zou hij later nog vaak vertellen. Niet omdat hij er trots op was drie prinsen de straat op te hebben gestuurd, maar omdat het precies laat zien wie hij was. Rang of stand maakten hem weinig uit. Wie bij hem instapte, werd gelijk behandeld.

Een bijnaam die bleef

Vrijwel niemand kende hem overigens onder zijn echte naam, Cornelis Verschuur. Voor Amsterdam was hij simpelweg “De Taaie”. In oktober 1883, kort nadat hij zijn diensttijd bij de blauwe huzaren had voltooid, rolde de 22-jarige Verschuur min of meer toevallig het koetsiersvak in. Een bekende vertelde hem dat een koetsbaas nog een paard en rijtuig had staan. Nog diezelfde dag reed hij zijn eerste vrachtje.

Het bleek een beroep dat hem op het lijf geschreven was. Zijn standplaatsen lagen eerst rond de oude Beurs op de Dam en later bij het Rembrandtplein, waar het Amsterdamse uitgaansleven zich steeds nadrukkelijker concentreerde. Met zijn markante bakkebaarden en hoge hoed was hij een bekende verschijning, maar het was vooral zijn onverstoorbare werkhouding die opviel. Terwijl andere koetsiers op rustige momenten een dutje deden op de bok, bleef Verschuur geduldig de straat afspeuren naar een volgende klant.

“Nou, da’s een taaie,” zeiden zijn collega’s. De bijnaam bleef de rest van zijn leven aan hem kleven.

De gids van een generatie

De Taaie reed iedereen. Amsterdammers op weg naar een avond uit, zoals theaterbezoekers, nachtbrakers en generaties studenten. Vooral onder die laatste groep werd hij een lokale held. Sommige eerstejaars vroegen zelfs speciaal naar hem, omdat hun vaders vroeger ook al door hem waren rondgereden.

Hij kende de stad als zijn broekzak. Hij wist waar muziek klonk, welke cafés nog open waren en waar na sluitingstijd nog leven was. De Taaie bracht studenten niet alleen van A naar B, maar wees hun ook de weg door het Amsterdamse nachtleven. En als het maandgeld op was, schoot hij een rit soms gewoon voor.

Jaren later waren diezelfde studenten arts, advocaat of hoogleraar geworden. Sommigen woonden inmiddels in Peking of New York, maar hun oude koetsier vergaten ze niet. Er kwamen nog altijd brieven binnen, soms met niets meer erop dan: “Aan de Taaie, Amsterdam.”

En dat bleek voldoende. De postbode wist waar hij moest zijn. 

Toen de paarden verdwenen

In augustus 1929 verraste Verschuur Amsterdam opnieuw. Voor café Schiller stond zijn oude gesloten rijtuig klaar, bespannen met zijn paard Diva. Op de zijkant had hij in grote letters laten schilderen: Tour de l’Europe.

Terwijl auto’s inmiddels het straatbeeld begonnen te bepalen, koos De Taaie ervoor nog één keer te reizen zoals hij dat zijn hele leven had gedaan. Het plan was even eenvoudig als ambitieus. Met paard en koets zou hij via Berlijn, Wenen en Boedapest naar Italië reizen. Honderden Amsterdammers verzamelden zich op het Rembrandtplein om hem uit te zwaaien. Maar voordat hij vertrok, stelde hij iedereen gerust: “Ik kom weer terug!”

De opkomst van de automobiel betekende inderdaad het einde van de klassieke huurkoets. Veel koetsiers zagen hun beroep verdwijnen. Toch ging Verschuur met zijn tijd mee. Op zestigjarige leeftijd leerde hij autorijden en ging hij aan de slag op een elektrische Atax-taxi van de Amsterdamse Rijtuigmaatschappij. Niet veel later stapte hij over op een benzinetaxi. Toen iemand hem vroeg of zo’n overstap niet moeilijk was, antwoordde hij op zijn karakteristieke manier: “Overzicht op den weg krijg je vanzelf als je veertig jaar achter een paard hebt gezeten.”

Zelfs toen zijn ogen hem uiteindelijk dwongen te stoppen met rijden, verdween hij niet uit het nachtleven. Hij werd portier bij cafés rond de Amstel en het Rembrandtplein. 

Een Amsterdamse volksheld

Toen Cornelis Verschuur in februari 1945 op 83-jarige leeftijd overleed, schreven de kranten dat Amsterdam afscheid nam van zijn oudste koetsier. Dat was juist. Maar de stad verloor veel meer dan een man met paard en rijtuig. Na ruim zestig jaar op de Amsterdamse straat was hij uitgegroeid tot een vertrouwd gezicht, bekend bij generaties Amsterdammers, bekend als “de Taaie”.


De courant Het nieuws van den dag – 9 februari 1945 / Delpher

Hoofbeeld: De Taaie op zijn 70e verjaardag (31 juli 1931) – Vereenigde Fotobureaux N.V. / Stadsarchief Amsterdam

To keep connected with us please login with your personal info.

New membership are not allowed.

Enter your personal details and start journey with us.