
Wie tegenwoordig vanuit Amsterdam naar Zandvoort reist, stapt meestal op de trein op Amsterdam Centraal. Ruim een eeuw geleden kon je midden in de stad een tram nemen die je helemaal naar de kust bracht. Op 31 augustus 1957 stond de Spuistraat daarom vol met mensen. Ze kwamen om afscheid te nemen. Na ruim een halve eeuw vertrok hier voor de laatste keer “de Blauwe” Tram naar Zandvoort.
Die avond was er langs de hele route nauwelijks doorkomen aan. In Amsterdam, Haarlem en Zandvoort stonden honderden mensen langs de route. Sommigen zongen, anderen probeerden nog één keer mee te rijden. Toen de laatste tramstellen na middernacht de remise bereikten, was een verbinding verdwenen die voor generaties Amsterdammers bij de zomer had gehoord.
Rechtstreeks van de binnenstad naar zee
De geschiedenis van de lijn begon in 1899 met een elektrische tram tussen Haarlem en Zandvoort. Elektrische trams waren toen nog een nieuw verschijnsel in Nederland. In 1904 werd de verbinding doorgetrokken van Haarlem naar Amsterdam en vanaf het badseizoen van 1905 konden reizigers rechtstreeks vanuit de hoofdstad naar zee.
Aanvankelijk lag het Amsterdamse vertrekpunt bij het Spui. Vanaf 1914 vertrokken de trams vanuit de Spuistraat. Daar lag een bescheiden eindhalte, ingeklemd tussen de bebouwing van de binnenstad.
Het strand kwam binnen handbereik
Zandvoort was in de negentiende eeuw uitgegroeid tot een mondaine badplaats. Hotels, badhuizen en een Kurhaus trokken vooral welgestelde bezoekers. Vanuit Amsterdam bestond al sinds 1881 een treinverbinding, maar een uitstapje naar zee bleef voor veel mensen een kostbare onderneming.
De tram veranderde dat. Een dag aan het strand kwam binnen het bereik van een veel groter deel van de bevolking. Op warme zomerdagen vormden zich lange rijen in de Spuistraat. Gezinnen met handdoeken, tassen en proviand wachtten er tot ze in een van de extra ingezette tramstellen konden stappen.
De rit zelf was onderdeel van het uitstapje. Vanuit de drukke Amsterdamse binnenstad reed de tram langs de huizen van West, door Halfweg en Haarlem en uiteindelijk de duinen in. Zonder overstappen veranderde het uitzicht van winkelstraten en stadshuizen in zand, helmgras en lucht. Op bijzonder drukke dagen werden zoveel mogelijk rijtuigen ingezet. De zware tramstellen konden uit meerdere wagens bestaan en namen honderden badgasten tegelijk mee. Het beeld van lange blauwe trams die door de smalle Paleisstraat en over de Rozengracht reden, werd decennialang een vertrouwd onderdeel van Amsterdam.
Waarom heette hij de Blauwe Tram?
De bijnaam verwees eenvoudigweg naar de donkerblauwe kleur van het materieel van de Noord-Zuid-Hollandsche Tramweg-Maatschappij, kortweg NZH. Toch bestond de Blauwe uit verschillende soorten rijtuigen. Tot de bekendste behoorden de grote tramstellen die vanaf de jaren twintig in Boedapest waren gebouwd. Ze kregen daarom de bijnaam Boedapesters. De instap bevond zich in een verlaagd middengedeelte met kleine ronde ramen. Binnen waren houten betimmeringen en dikke banken aangebracht.
Andere tramstellen werden in Haarlem gebouwd door rijtuigenfabriek Beijnes. Zij leken bovendien nauwelijks op de trams die binnen Amsterdam reden. De lange, zware tramstellen deden eerder denken aan treinen, maar reden gewoon tussen het andere verkeer door de Amsterdamse straten. Dat leidde soms tot gevaarlijke situaties. Deze trams konden niet zomaar uitwijken.
De tram moest wijken voor de bus
Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het verkeer snel. Het aantal auto’s nam toe en trams werden steeds vaker beschouwd als obstakels op de weg. Bussen golden als moderner, aangezien waren flexibeler waren, om opstoppingen heen konden rijden en geen rails of bovenleiding nodig hadden. Ook bij de NZH verschoof de aandacht naar busvervoer. Voor de verbinding tussen Amsterdam, Haarlem en Zandvoort viel het doek in 1957.
Op de voormalige Appeltjesmarkt, bij de Marnixstraat en Elandsgracht, werd een nieuw busstation aangelegd. Vanaf daar zouden de bussen naar Haarlem en Zandvoort vertrekken. Daarmee verdween ook het eindpunt in de Spuistraat. De bus mocht dan praktischer en goedkoper zijn, veel reizigers zagen hem niet als een volwaardige vervanger. De Blauwe Tram was meer geweest dan vervoer. Hij hoorde bij woon-werkverkeer, familiebezoek en vooral bij het gevoel van een zomerdag waarop de zee al in de Amsterdamse binnenstad leek te beginnen.
Een afscheid voor vele duizenden mensen
Op 31 augustus 1957 reed de tram volgens de gewone dienstregeling, maar van een normale dag was geen sprake. Langs de route verzamelden zich vele duizenden belangstellenden. Ook bij de eindpunten in Amsterdam en Zandvoort en rond het Houtplein en de Tempeliersstraat in Haarlem stonden de mensen rijen dik. Er werden toespraken gehouden en afscheidsliederen gezongen. Een speciaal Requiem voor de Blauwe klonk langs de lijn, met als terugkerende woorden: “Trem, trem, trem, trem, wij leven in memoria.”
Later die avond reden de laatste wagens vanuit de badplaats terug naar Amsterdam. Door de enorme drukte liepen de ritten vertraging op. Pas na middernacht kwam er werkelijk een einde aan de tramlijn. De volgende ochtend reden er bussen. De rails bleef op sommige plaatsen nog enige tijd zichtbaar, maar verdwenen uiteindelijk grotendeels uit het straatbeeld. Waar vroeger lange blauwe tramstellen door de Paleisstraat en over de Rozengracht denderden, nam het autoverkeer de ruimte over.
De Blauwe Tram zelf verdween echter niet uit het geheugen. Foto’s van rijen wachtende badgasten bleven het verhaal vertellen van een tijd waarin je in de Spuistraat instapte en rechtstreeks naar zee reed.
