
Het beroemdste rovershol van Amsterdam
Aan de Elandsgracht 73 herinneren twee gevelstenen aan een berucht stukje Amsterdamse geschiedenis. Op deze plek stonden ooit vier oude huizen die later bekend zouden worden als het Fort van Sjako. Volgens de verhalen vormden ze een waar rovershol, waarin meesterdief Sjako en zijn kompanen zich konden verschuilen en via geheime doorgangen van het ene naar het andere huis konden verdwijnen.
Het is een prachtig verhaal. Maar wat is er van waar?
Wie was Sjako?
Achter de bijnaam Sjako ging Jacob Frederik Müller schuil. Hij werd in 1690 geboren in Königsberg in Pruisen, het huidige Kaliningrad. Zijn vader diende in het Zweedse leger en verdween al vroeg uit zijn leven. Zijn moeder hertrouwde en het gezin kwam uiteindelijk in Nederland terecht.
Een keurige jeugd was hem niet bepaald gegeven. Zijn stiefvader verdiende de kost met een geraffineerde vorm van bedelarij. Met vervalste papieren trok hij langs de deuren om geld in te zamelen voor slachtoffers van branden en andere rampen. De opbrengst verdween echter in eigen zak. De jonge Jaco ging met hem mee en leerde zo al vroeg hoe je met een goed verhaal aan andermans geld kon komen.

Later ging Jaco zijn eigen weg en kwam hij steeds verder in het criminele milieu terecht. Toch wist hij een bepaalde cultstatus te bereiken. Sjako werd volgens de overlevering een meesterdief, leider van een gevreesde roversbende en zelfs een soort Amsterdamse Robin Hood. Hij zou rijke mensen hebben beroofd en een deel van zijn buit hebben weggegeven aan mensen die het minder breed hadden. Historisch bewijs voor die vrijgevigheid is er echter niet. Sterker nog, de werkelijkheid was een stuk minder romantisch. Jaco raakte betrokken bij een reeks zware inbraken en overvallen. In Zevenhoven eindigde zo’n overval zelfs met de dood van een 71-jarige vrouw. Bij andere rooftochten werden bewoners vastgebonden en bedreigd terwijl huizen werden leeggehaald. Een volksheld die van de rijken stal om de armen te helpen, herkennen we in de archiefstukken dan ook nauwelijks terug.
“Lange Griet”
In die criminele wereld ontmoette Jaco rond 1715 Griet Lommers, beter bekend als Lange Griet. De Amsterdamse, geboren in 1689, had toen zelf al een geschiedenis met justitie. Ze was jong met de autoriteiten in aanraking gekomen en had vóór haar ontmoeting met Jaco enige tijd in het Spinhuis doorgebracht.
De twee werden geliefden en trokken samen op. Maar Griet stond niet simpelweg in zijn schaduw. Ze kende de Amsterdamse onderwereld zelf goed, profiteerde van gestolen goederen en hielp Jaco wanneer hij in de problemen kwam. Hun relatie had ook een gewelddadige kant. Griet zou later verklaren dat Jaco haar regelmatig mishandelde. Begin 1716 kwam er abrupt een einde aan hun gezamenlijke leven. Jaco en Griet werden van bed gelicht in herberg De Vergulde Wagen en in gevangenschap gebracht.
Hoe het afliep voor de echte Sjako
Na haar arrestatie legde Griet belastende verklaringen af over Jaco en andere verdachten. In ruil voor haar medewerking aan justitie ontliep ze zelf een zware straf. Haar verklaringen zouden een belangrijke rol spelen in de uitzonderlijk lange strafzaak tegen Jaco, al zijn later vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
Jaco bleek ondertussen moeilijk achter slot en grendel te houden. Hij wist uit het Amsterdamse tuchthuis te ontsnappen en zijn gereedschap was verrassend eenvoudig. Met een spijker maakte hij een gat in de muur en wist hij naar buiten te komen. Erg lang kon hij niet van zijn vrijheid genieten. Nog diezelfde avond keerde Jaco terug naar Amsterdam. In een kroeg bij de Leidsepoort werd hij opnieuw opgepakt.

Het proces dat volgde sleepte zich jarenlang voort. Jaco werd vele malen verhoord en ook gemarteld, maar bleef ontkennen. Zijn advocaten vochten de gang van zaken aan en de zaak kwam uiteindelijk zelfs voor hogere rechtbanken. Het mocht hem niet redden. Op 6 augustus 1718 werd Jaco voor het stadhuis op de Dam geradbraakt en onthoofd. Daarna werd zijn lichaam naar het galgenveld aan de overkant van het IJ gebracht, waar het als afschrikwekkend voorbeeld werd tentoongesteld. Hij was 28 jaar oud.
Lange Griet ontliep dankzij haar medewerking aanvankelijk een zware straf, maar haar leven buiten het Spinhuis duurde niet lang. Ze kwam opnieuw met justitie in aanraking en werd meerdere keren opgesloten. In 1730, op 41-jarige leeftijd, kwam ze voor het laatst vrij. Daarna verdwijnt ieder spoor.
En dat beroemde fort dan?
Want hoe kwam een crimineel die waarschijnlijk nooit aan de Elandsgracht woonde uiteindelijk terecht in het beroemdste rovershol van Amsterdam? Aan de toen nog niet gedempte Elandsgracht stonden op de nummers 71, 73, 75 en 77 vier oude huizen die later het Fort van Sjako werden genoemd. In Amsterdam kon het woord fort worden gebruikt voor een groot of dichtbevolkt wooncomplex. De naam betekende dus niet automatisch dat hier een versterkt hoofdkwartier zat.
In de verhalen werd het allemaal een stuk spectaculairder. De huizen zouden onderling met elkaar verbonden zijn geweest. Er waren geheime deuren, verborgen kamers en doorgangen waardoor Sjako en zijn kompanen konden verdwijnen wanneer de autoriteiten hen op de hielen zaten. Maar juist voor dat deel van het verhaal ontbreekt het bewijs.
Hoe Sjako alsnog op de Elandsgracht belandde
De verbinding tussen de rover en de huizen aan de Elandsgracht werd vooral beroemd dankzij de Amsterdamse schrijver Justus van Maurik. Hij bezocht de plek aan het einde van de 19e eeuw. Daar sprak hij een oude schoenlapper, die hem verhalen vertelde die hij naar eigen zeggen via zijn grootvader en overgrootvader had meegekregen. Over Sjako die hier zou hebben gewoond, over een bedstede met een geheime doorgang en over vermommingen waarmee de rover telkens aan zijn achtervolgers wist te ontsnappen.
Van Maurik verwerkte de verhalen in het werk Het fort van Jaco. Daarmee kreeg de legende een tweede leven. Verhalen die generaties lang mondeling waren doorgegeven, stonden opeens op papier en werden vervolgens zelf weer als historische waarheid doorverteld.

En dat bleef niet bij het fort. Ook andere voorwerpen raakten in de loop der tijd met Sjako verbonden. Zo werd een ingenieuze uitschuifbare houten ladder aan hem toegeschreven. Die zou hij die hebben gebruikt bij een van zijn ontsnappingen. In de processtukken wordt weliswaar een ladder genoemd. Een rode timmermansladder die bij een inbraak was gebruikt en daarbij in tweeën brak. Of dit het bewaard exemplaar uit de collectie van het Amsterdam Museum is, zullen we nooit zeker weten. Hetzelfde geldt voor een breekijzer en vuurwapen die later met zijn naam verbonden raakten.
Zo kreeg de historische Jaco stukje bij beetje steeds meer attributen die bij zijn ‘nieuwe’ rol pasten: geheime gangen, een roversfort, bijzonder inbrekersgereedschap en het imago van een Amsterdamse Robin Hood.
Het ‘fort’ verdwijnt, het verhaal blijft
Ironisch genoeg was de legende juist volop in ontwikkeling toen het vermeende rovershol zelf verdween. In 1886 werden de oude panden aan de Elandsgracht gesloopt en vervangen door nieuwbouw.
Maar het Fort van Sjako verdween niet uit het Amsterdamse geheugen. Aan de Elandsgracht herinneren gevelstenen nog altijd aan de rover die hier volgens de volksverhalen zijn hoofdkwartier had. Zijn naam drong zelfs door tot de Amsterdamse taal. Een rommelige of chaotische plek wordt omschreven als een fort van Sjako.
Bronnen
- Gevelsteen Elandsgracht 73 / Lisa Scheer
- Ets Sjako / Stadsarchief Amsterdam
- Registratie van Jaco’s executie / Stadsarchief Amsterdam
- Ets interieur Fort van Sjako / Amsterdam Museum
- Foto vermeende inbrekersladder Sjako / Amsterdam Museum
